|
|
DUCATI WDW 2000 |
| |
WDW 2000 |
| |
Richard Eijkelenburg |
|
In « Big End » wordt gemeld dat er dit jaar 2 groepen naar het WDW gaan ; één die op vrijdag vertrekt, en terugkomt op dinsdag, en een tweede, die meer tijd neemt voor de rit, van woensdag tot woensdag. “Gelieve voor de tweede groep Frank Gysels te contacteren”….. Dus ik bel Frank op, met de vraag of er nog plaats is in de tweede groep. Antwoord :”Als je meegaat, zijn we al met tweeën…..” Naderhand blijken we toch nog 50 % meer deelnemers te hebben, en vertrekken we uiteindelijk met zijn drieën.
Juni 2000.
Frank Gysels, Rudy (van Camp) en ik zetten aan, om 06.00 uur aan de afrit Zemst. Deze tijd en plaats is ondertussen deel van de traditie geworden. Frank op zijn Paso 750, Rudy op een glanzend nieuwe 900 SS, en ik heb mijn 851 omgebouwd tot toermotor door het toevoegen van een tanktas en een (uiteraard rode) tas achter op de buddyseat. En dan : over de snelweg tot in Luxemburg; benzine, koffie, croissant, kaart bekijken, sigaretje voor Frank, Frank’s helm tegen de grond laten vallen (dat blijkt mijn specialiteit te zijn)…En dan verder over de snelweg, Thionville, Nancy en dan Epinal. Frank heeft al een roadbook voorbereid, dat we ook grotendeels volgen. We zoeken de wegen op die ons de Michelinkaart aanbiedt : ze moeten kronkelen, liefst met een groen lijntje erlangs (toeristisch attractief dus) en, vooral, geen verbindingsweg tussen belangrijke steden. Dat zijn dus meestal de routes nationales, of departementales. Via de Elzas, de Jura, het meer van Annecy voorbij. Een beetje verder delen we dan voor de eerste keer een kamer. Dat doe je niet zomaar, je checkt wel even wat de slaapgewoontes van je roomies zijn : Ik : “Zeg, snurkt er eigenlijk iemand ?” Rudy :” Nee, ik niet.” Frank : “Nee, ik ook niet” Ik weer : “Goed, niemand van ons drieën dus. Welterusten.” Rudy heeft geen oog dichtgedaan...
 |
De dag daarop begint het serieuze werk: de Franse Alpen in, via de Col de l’Iseran, Val d’isère, col du Mont Cenis, en dan de steile val naar beneden aan de Italiaanse kant. Onderweg werd er regelmatig gestopt, om een fotootje te pakken van de bergen, of een stuwmeer, en om een sigaretje te roken (Frank…). In die |
eerste drie dagen slaag ik erin geslaagd, Frank’s helm tot vijf keer toe tegen de grond te gooien. Frank heeft nog meer problemen : bij het fotograferen van de sneeuw, de waterval, de marmotten, de motoren, laat hij zijn Nikon vallen. Frank is een begaafd en geoefend vloeker…. En bij de afdaling van de eerste passen blijkt dat de voorband van zijn Paso wel zwart is, maar met rubber verder geen uitstaans heeft. Frank perfectioneert nu het schuiven over het voorwiel. Verder blijkt bij de afdaling van de Mont Cenis ook nog dat er meer water dan remolie zit in het circuit van de achterrem. Dat is wel even spannend…. Rudy’s 900 loopt probleemloos, maar mijn 851 heeft wel wat last van de hoogte. Bij het stoppen aan kruispunten vialt hij meestal stil, maar start weer onmiddellijk. In de haarspeldbochten (“attenzione : tornante !”) zien we ook vaak een dunne streep vocht liggen, zo ongeveer op de ideale rijlijn. We nemen maar aan dat dat dieselolie of zoiets is, en rijden er zoveel mogelijk langs. We snijden eigenlijk vrij vlot via de expresweg en de Tangenziale van Turijn door Piemonte, en stoppen dan de tweede nacht in Reggio Emilia. Het eerste hotel heeft het niet zo voor motorrijders, en beweert volzet te zijn – maar de mensen na ons krijgen wel een kamer. Dat is eigenlijk de eerste en enige keer dat we ervaren hebben dat motorrijders in een hotel niet welkom zijn.

|
|
|
|
|
|