| |
WDW 2002 |
| |
Richard Eijkelenburg |
|
Onze rit van 2000 naar het WDW (Rudy van Camp, Frank Gysels en ik) had al enige bekendheid gekregen, en toen we plannen begonnen te maken om ook in 2002 iets dergelijks te doen, hebben enkele clubleden zich aangemeld om mee te rijden : Geert Dekeukeleire met zijn 996, Luc Meersman, met zijn Le Mans I, Herman Verstraeten met zijn R1100 S, en Michaël met een Ducati 851, een jaartje jonger dan de mijne, dus al met USD vering. Het was zijn eerste Ducati, als kennismaking kan dat tellen ! Frank durft het niet meer aan met zijn Paso 750 te gaan. En alhoewel Geert naderhand bewezen heeft dat ook een 996 een toermotor kan zijn, wil Frank de zijne toch niet voor zoiets misbruiken. Hij is erin geslaagd, een grijze ST2 mee te krijgen. Rudy heeft zijn 900 SS weer mee, en mij was het niet gelukt, mijn 851 te verkopen en een échte toermotor te kopen, dus hij moet weer dienen.
 |
Zoals bij de eerste keer, samenkomst in Zemst, aan de oprit van de snelweg richting Brussel. En wie ontbreekt het op het appèl ? Herman ! Na een 20 minuten wachten, geven we het maar op. Herman is oud en wijs genoeg om ons onderweg ergens weer tegen te komen. Achteraf blijkt dat Herman vanaf Antwerpen een Ducati heeft gevolgd |
| waarvan hij dacht dat het Frank was, en die reed de afrit Zemst voorbij – Herman blijft volgen, tot het bij hem daagt dat deze Ducati misschien toch niet naar het WDW gaat. Dan maakt hij rechtsomkeer, maar in Zemst zijn wij dan al lang weg. We vertrekken dus, in de regen – België, nietwaar ? Maar aan het eind van de ochtend klaart het op. |
Onze eerste stop is natuurlijk in Luxemburg, de tanks vullen, een soort ontbijt (koffie, croissant/broodje, sigaret(ten) voor Frank (“Heeft er iemand plaats in zijn bagage voor twee sloffen sigaretten ?”). Van bagage gesproken, deze keer heeft Frank geen rugzak maar een bagagetas achter op de motor, die rugzak had hij de vorige keer aardig vervloekt (en Frank kàn vloeken….).
We zien daar ook clubleden verschijnen, mensen met verhalen over kapotte windschermen, en opengewaaide rugzakken en zo. Wij hadden tot daar toe, als ervaren rotten, geen enkel probleem gehad (of is het verliezen van een reisgezel, nog voor je vertrokken bent, een probleem ?) Geen spoor van Herman. Verder in Frankrijk, via ongeveer dezelfde route (Elzas Jura, tot in de Vercors, één van mijn favoriete streken in Frankrijk) en overnachten in een hotelletje dat we uit de gids van de “Logis de France” pikken, in het dorpje “Le Bouchoux”, L’Auberge de la Chaumière. Nu dat we met zijn zessen zijn, bestellen we twee of soms drie kamers, de meeste hoteleigenaars zien het niet zitten om zes man in een kamer te steken, en onze ervaring met het fenomeen snurken heeft ons ook wat voorzichtiger gemaakt.
Wij betrekken onze kamers, nemen een douche, drinken alvast een pintje – behalve Luc, die zijn motor in ere houdt en elke avond een uur of meer zijn motor schoonmaakt, reinigt, poetst en daarna afdekt. Rudy wil nog wel eens zijn ketting smeren, maar zelfs dat is voor de meeste anderen eerder een toevallig initiatief dan een gepland onderhoud. In Frankrijk kan je lekker eten en drinken…maar daar hoef ik geen verhaal over te schrijven. Na een goede nachtrust (met wat gesnurk links en rechts) zijn we de volgende dag klaar voor nog eens een 500 kilometer of zo.
